de kolonie veenhuizen

Drenthe bestaat 200 jaar geleden uit 'woeste gronden': moerasland en veen. Er zijn geen wegen. Eerst moeten er kanalen gegraven worden, zodat bouwmaterialen en mensen met de boot aangevoerd kunnen worden. Er zijn natuurlijk ook geen winkels. Dus de mensen die naar de gestichten in Veenhuizen worden gestuurd (de kolonisten) moeten in hun eigen onderhoud voorzien. Ze graven het veen af, bewerken het land en bouwen boerderijen. Ook komen er werkplaatsen: een houtzagerij, een meubelmakerij, een smederij, een klompenmakerij enz. enz.
3

De gestichten in Veenhuizen

De gestichten in Veenhuizen zijn heel groot: 120 x 120 meter met in het midden een grote binnenplaats. De gestichtbevolking woont aan de kant van de binnenplaats. Mannen en vrouwen wonen apart, met 80 mensen op een zaal. De zalen zijn overdag eet- en werkzaal. 's Nachts wordt er geslapen in hangmatten, die overdag aan het plafond worden gehesen. Aan de buitenkant van de gestichten wonen arme families die vrijwillig naar Veenhuizen waren gekomen en de bewakers in kleine woningen.
2

Weeskinderen

Er is een apart gesticht voor weeskinderen. Zij wonen met 60 kinderen en één zaalmoeder op een zaal. Tot hun 12e jaar gaan kinderen overdag naar school. Van hun 12e tot hun 18e werken ze overdag en gaan ze 's avonds naar school.

 

Dat school verplicht was, is heel modern voor zo lang geleden. Maar het helpt wel. Door hun goede opleidingen vinden veel weeskinderen na hun 18e een baantje buiten de kolonie en daarom mogen ze Veenhuizen verlaten.

1
Het einde van de Maatschappij van Weldadigheid

De 'kolonisten' die naar Veenhuizen worden gestuurd, zijn arme mensen. Vaak hebben ze al een lange tijd gezworven. Velen zijn verzwakt of ziek en kunnen al het zware werk niet aan. Veel mensen gaan dood. Doordat er geregeld nieuwe mensen naar Veenhuizen worden gestuurd, moet er steeds meer geld bij. Het geld gaat op en in 1859 gaat de Maatschappij van Weldadigheid failliet. De regering neemt Veenhuizen over. Eerst valt Veenhuizen onder Binnenlandse Zaken, vanaf 1875 onder het ministerie Justitie.

4