De straffen

                                          
Schandstraf

Bij een schandstraf wordt je aan de schandpaal gezet. Iedereen mag daar op je schelden, vuiligheid naar je gooien of tegen je aan pissen. Om je nek hangt een bord, waarop staat wat je hebt misdaan. Of je wordt in een schandton gezet met daarop je misdaad. Je kan ook een zwaar blok aan je been gekluisterd krijgen, of zware stenen om je nek waar je mee rond moet lopen.

1
Lijfstraf

Er zijn verschillende lijfstraffen: bijvoorbeeld het afhakken van een hand als je hebt gestolen of het afsnijden van je tong (als je hebt gelogen of als je onaardige dingen over godsdienst zegt). Je kan worden geslagen met een zweep of gebrandmerkt met een heet ijzer. Lijfstraffen zijn dus erg pijnlijk, maar ze hebben wel een functie. Als je iemand tegenkomt met één oor, een gat in zijn tong of een brandmerk op het voorhoofd, dan ben je gewaarschuwd: je staat tegenover een dief, een leugenaar of een onverbeterlijke bedelaar.

4
Verbanning

Een erg zware straf is verbanning: je wordt weggestuurd uit de plaats waar je woont en je mag er nooit meer terug komen. Buiten de stad staat een banpaal, daar mag je niet voorbij. Je bent in die tijd eigenlijk alleen veilig in de stad of het dorp waar je vandaan komt en waar je iedereen kent. Buiten de muren is het gevaarlijk; er zijn struikrovers en andere boeven. En in een andere stad is iedereen achterdochtig als daar een vreemdeling komt wonen. Zeker als je een brandmerk op je voorhoofd hebt, met het wapen van de stad waar bent je weggestuurd...

3
Doodstraf

De ergste straf is natuurlijk de doodstraf. Rijke mensen wordt het hoofd afgehakt, arme mensen worden opgehangen of op het radbraakkruis vastgebonden. Daar worden de botten in hun armen en benen gebroken met een zware ijzeren staaf.

Als de beul medelijden krijgt, kan hij de veroordeelde daarna een 'genadeslag' geven, een klap op het hart, waarna deze sterft. Maar het gebeurt ook dat de verminkte mensen met rad en al op een paal worden gehesen en om daar een langzame dood te sterven.

5